Het bord is geen plaatje naast je configuratie, het ís je configuratie. Wat je tekent bepaalt welke poort een trunk wordt, welke een access-poort, en waar een apparaat zijn uplink heeft. De lijstweergave en het bord tonen dezelfde site.
Waar het zit
Het bord hoort bij de site-modus, dus bij een netwerk met meer dan één apparaat. Bovenaan wissel je tussen de lijstweergave, het bord en het Wi-Fi-plan. Je kunt heen en weer springen zonder iets kwijt te raken; het is steeds dezelfde site.
Apparaten neerzetten
Voeg apparaten toe met de knop Apparaat. Onder Toevoegen zitten de blokken die je niet configureert maar wel meetekent: internet, een client, een server, een hypervisor en een locatie. Rechtsklik op een lege plek geeft hetzelfde menu, en dan komt het nieuwe blok precies op die plek te staan.
Sleep aan de bovenrand van een blok om het te verplaatsen. Dubbelklik op een apparaat om het in te stellen; je komt dan in hetzelfde scherm als in de lijst. Met Opruimen zet het bord alles netjes uit elkaar, en Ctrl+Z maakt een stap ongedaan (Ctrl+Y opnieuw). Het detailpaneel kun je naast het bord zetten, over het bord laten zweven of helemaal wegklappen.
Kabels trekken
Sleep van een poort naar een poort. Op de kabel staat de snelheid waarop hij loopt, dus een gigabitpoort aan een 10-gigabitpoort zie je meteen. Verder:
- Klik op een kabel om hem te selecteren; hij wordt geel en de poorten aan beide kanten lichten op.
- Klik op een poort waar een kabel aan zit om die kabel te selecteren.
- Liggen kabels over elkaar, druk dan op Tab om naar de volgende onder je muis te gaan (Shift+Tab terug).
- Rechtsklik op een poort voor de instellingen: naam of opmerking, wel of niet in de bridge, de VLAN-modus en de untagged VLAN, PoE-uit, poort uitschakelen, kabel verwijderen, en terug naar de standaardwaarde. Op de WAN-poort staat dat het de WAN-poort is en dat je de internetkabel moet verplaatsen als je dat wilt veranderen.
- Delete verwijdert wat je geselecteerd hebt.
Dit is niet alleen tekenwerk. Een poort waar een kabel naar een ander apparaat in de site aan zit wordt een trunk met alle VLANs erop; de overige poorten worden access-poorten op de eerste VLAN uit de tabel. Een apparaat dat je niet meetekent krijgt een geraden trunkpoort, en de controles zeggen dat er dan nog geraden wordt.
Meer dan routers en switches
- Internet — hang een internetverbinding aan je router. Je geeft de snelheid van het abonnement op, de provider en het soort verbinding (glas, kabel, DSL, 4G/5G, satelliet of vaste draadloze verbinding), en of dit de hoofdverbinding is of de back-up. Kennen we een preset voor die provider, dan krijgt de WAN-poort die instellingen. Het bord waarschuwt als je abonnement sneller is dan de poort waar het op binnenkomt, en zegt erbij welke poort wél snel genoeg is.
- Servers, hypervisors en clients — apparatuur die je niet configureert maar wel meetekent, met hun VLAN en adres. Bij een hypervisor vul je de virtuele machines in, en de VLANs die zij gebruiken komen vanzelf op de switchpoort waar die host aan hangt: beheer untagged, de rest tagged.
- Locaties — met de knop + Locatie teken je een gebied voor een tweede kantoor of een datacenter. Sleep apparaten erin en geef de locatie zijn eigen adresreeks, bijvoorbeeld 10.2, zodat de netwerken niet botsen met de hoofdlocatie.
- Tunnels — verbind twee locaties met WireGuard, GRE, IPIP, EoIP of VXLAN. Het bord tekent de tunnel en de configuratie komt aan beide kanten terecht. Zie Voorbeeld: twee locaties met een tunnel.
De VLAN-knop
Met VLANs open je de tabel van de site: nummer, naam, routeradres, DHCP, internet, geïsoleerd en beheer. Die tabel geldt voor elk apparaat, zodat een tag overal hetzelfde netwerk betekent. Per apparaat kies je daarna welke VLANs het draagt; standaard zijn dat ze allemaal.
Zien of het klopt
Met Verkeer laat je zien wat er tussen locaties, VLANs en systemen mag lopen. Dat wordt gecontroleerd tegen de scripts zoals ze nu gegenereerd worden: de firewall- en raw-regels, de routes, WireGuard en BGP van elke router. Per tunnel zie je of het verkeer erdoor komt, half, of helemaal niet, en met Verkeer volgen kies je een punt van en naar en zie je bij welke stap het blijft steken: de route, de firewall, WireGuard of de weg terug.
Fouten en waarschuwingen komen als je de scripts genereert, en verwijzen naar de kabel of het apparaat waar het om gaat. De meest voorkomende: een kabel naar een poort die de WAN-poort is, een poort met twee kabels eraan, een kabel die een lus maakt (RSTP blokkeert dan een pad, dus het werkt maar wordt niet sneller), koper naar SFP, en aan de twee kanten van een kabel een verschillende MTU. Dat laatste is de vervelendste: grote pakketten verdwijnen dan zonder foutmelding.
Prettig werken
Zoom met de knoppen of Ctrl en het scrollwiel, Passend brengt alles in beeld, en met volledig scherm heb je het hele scherm voor grote netwerken. Onderin staat hoeveel apparaten en kabels er zijn. Het bord onthoudt waar je was.
Verder lezen: Meerdere apparaten in één site en Controles over bekabeling.