Handleiding

Meerdere gebouwen met glasvezel ertussen

Vier gebouwen, glas ertussen, en één vraag die alles bepaalt: routeer je per pand of niet.

Een bedrijventerrein, een school met dependances, een zorginstelling met vier panden: fysiek meerdere gebouwen, organisatorisch één locatie. Dat is iets anders dan vestigingen in verschillende steden, want hier ligt je eigen vezel ertussen en heb je geen provider en geen tunnel nodig.

Eén locatie of meerdere

Dit is de eerste beslissing, en de tool duwt je er vriendelijk in. Op het netwerkbord is een locatie een rechthoek met een eigen adresreeks, en de controles verwachten daar precies één apparaat met een router-rol in. Een locatie met apparaten maar zonder router levert een waarschuwing op: daar krijgt niets een gateway of DHCP.

Voor een campus met eigen glasvezel is het antwoord bijna altijd: één locatie. Eén router in het pand waar het internet binnenkomt, en in de andere gebouwen switches en access points. De glasvezel draagt de VLANs getagd verder; de VLAN-nummers, de SSIDs en het beheer-VLAN zijn overal gelijk en komen uit de gedeelde instellingen.

Meerdere locaties op één terrein maak je alleen als elk gebouw echt zelfstandig moet zijn: een eigen router, een eigen adresreeks, eigen DHCP die doorloopt als de vezel breekt. Dat is een gerouteerd ontwerp met een transitnetwerk ertussen, en dat is een andere keuze met andere gevolgen; zie Laag 2 uitrekken of routeren.

Ster of ring

Een ster is één centrale switch met een vezel naar elk gebouw. Eenvoudig, voorspelbaar, één pad per pand. De centrale switch is een enkel punt van uitval, en een vezelbreuk zet één gebouw uit.

Een ring loopt van gebouw naar gebouw en weer terug naar de kern. Elk pand heeft twee wegen, en een breuk kost geen uitval. Teken je die ring op het bord, dan meldt de controle dat de sluitende kabel een lus maakt en dat RSTP een van de paden blokkeert: het werkt, maar sneller wordt het niet. Dat is precies goed geformuleerd, want dat is wat een ring is: redundantie, geen capaciteit.

Voor een ring gelden een paar regels: houd het aantal panden in de ring beperkt, zet de bridge-prioriteit zo dat de kern de root wordt, en weet dat verkeer tussen twee ver uit elkaar liggende panden in het slechtste geval het hele terrein rond gaat. Lees Switches in een ring voordat je er een tekent.

SFP's en afstanden

De tool kent het type poort uit de catalogus: koper (ether1), SFP op 1 Gbit/s (sfp1), SFP+ op 10 Gbit/s (sfp-sfpplus1), en hoger. Wat de tool niet weet is welke module je erin steekt, welke vezel er ligt en hoe lang die is. Die keuze is aan jou, en dit zijn de vuistregels:

AfstandVezelModuleLet op
tot 300 mmultimode OM3/OM4SX (1G) of SR (10G)Goedkoop, maar OM3 en OM4 verschillen in bereik bij 10G
tot 10 kmsinglemode OS2LX (1G) of LR (10G)Op een terrein bijna altijd ruim voldoende
één vezel per linksinglemode OS2BiDi, in parenAltijd per paar bestellen: de ene kant 1310/1550, de andere andersom
kort, binnen een rackgeenDAC-kabelGoedkoper dan twee modules, maar vast van lengte

Wat de tool wel doet, is de bekabeling nakijken. Verbind je op het bord een koperpoort met een SFP-poort, dan zegt hij dat daar een koper-SFP-module of een mediaconverter voor nodig is. Verschillen de snelheden van de twee kanten, dan meldt hij dat de kabel op de laagste van de twee loopt. En landt je internetabonnement op een poort die het niet trekt, dan rekent hij voor hoeveel je verliest en stelt een betere poort voor.

Glasvezel draagt geen voeding. Een access point of camera in een ander gebouw hangt aan een switch dáár, en die switch heeft stroom nodig. Denk aan de UPS in het bijgebouw, niet alleen aan die in de meterkast. Zie Kabels en voeding.

Waar de router hoort

De router staat waar het internet binnenkomt, en dat is bij voorkeur het gebouw met de beste aansluiting en het beste slot op de deur. Alle VLANs komen daar samen, want daar zitten de adressen en de DHCP-servers.

Gevolg: al het verkeer tussen twee VLANs loopt via dat pand, ook als beide apparaten in gebouw D staan. Dat is normaal en zelden een probleem, zolang de vezel niet je smalste schakel is. Is dat wel zo, dan is dat een reden om die ene vezel op 10 Gbit/s te zetten, niet om per gebouw een router neer te zetten.

In de site geef je de switches in de andere gebouwen de rol switch en de access points de rol access point. Zij krijgen dezelfde VLAN-tabel om mee te taggen, maar zonder adres en zonder DHCP, en een beheeradres dat doortelt vanaf de router in het beheer-VLAN.

Het uitrolplan op één rij

  1. Teken alle gebouwen als één locatie, met de router in het pand waar de lijn binnenkomt.
  2. Trek per gebouw de kabel van de kernswitch naar de switch daar. Die twee poorten worden trunks met alle VLANs getagd; dat is precies wat je wilt.
  3. Kijk in de bekabelingscontroles of er geen poort dubbel in gebruik is en of er geen onbedoelde lus in zit.
  4. Zet de MTU overal gelijk. De tool vergelijkt hem per kabel en per aaneengesloten netwerk en noemt de twee poorten waar het verschil zit.
  5. Genereer, en bewaar het bord. De tekening met de poortnamen is het document dat je over drie jaar nodig hebt.

Verder lezen: Switches in een ring, Controles over snelheid en FiberBox Plus.

Meteen proberen? Open de configurator